Auto’s

19-10-2018 11:57 - 't Vlees is zwak

We waren onderweg van thuis naar Ladou in Frankrijk, mijn vriend en ik. Ik reed, ik rij altijd en nu helemaal want in de afgelopen twee weken was de bijrijder geopereerd aan beide ogen voor staar. Daarentegen kan hij bijzonder goed de zorgzaamheden en het eten voor onderweg in goede banen leiden. Maar goed, we zaten dus ergens tussen Dijon en verder zuidwaarts, het was zondag, de 14e en niet al te druk en ineens zei ik, zo out of the blind zoals bij mij alle grote veranderingen plaatsvinden: ‘ik denk dat ik eens een nieuwe auto koop. Ik heb genoeg van deze, hij is wel goed en hij mankeert nog niks maar hij moet weer gekeurd en daar heb ik de pest over in‘. Bovendien moet hij gepoetst vanbinnen, want overal in het rond liggen de wybertjes als kleine magneetjes vastgeplakt aan de bodembedekkers in de auto en overal. Ik heb een wybertjes verslaving gehad, jarenlang, ik ben er nu vanaf. Voor de Belg die het wybertje niet in z’n pakket heeft: het is een klein ruitvormig plat ietsje van de dropfamilie en is heerlijk. Ik eet ze, ik àt ze altijd met tientallen in de auto. Nu niet meer. En nu wil ik een nieuwe auto zonder overal tientallen wybertjes die zich vastgebeten hebben in de bekleding. ‘Waar dacht je aan?’ Vroeg mijn vriend, blij met de afleiding. ‘Gewoon, een nieuwe auto, zoals deze ongeveer (ik sloeg met de hand op het stuur)  maar dan moet ie iets meer kunnen en mooier zijn.’ (Ik heb een peugeot partner, en de partner, daar zitten de honden achterin. De kleur heet moondust Grey.) De naam is mooier dan de kleur zelf. ‘Kijk, zo een bijvoorbeeld,’ zei ik en wees naar een auto die ons net over de linkerflank voorbijkwam. Een rood geval met veel chroom. ‘Oh dat is een Mitsubishi en nog wat,’ zei de vriend. ‘Daar kun je de honden niet in.’ ‘Of die,’ zei ik en passeerde een volkswagen met een achterpakket voor de honden. ‘Nee, nee, dat is niks voor jou, die is veel te zwaar en verbruikt veel.’ ‘Ik zou ook wel eens een automaat willen,’ zei ik, ‘lekker makkelijk, of een met twee deurtjes achterin en niet zo’n klep waar ik iedere dag zo hoog naar moet reiken als ik de honden erin meeneem. Wat is dat daar voor een treurig gevalletje, zoiets hoef ik in ieder geval niet.’ We passeerden net een zielig fletsblauw gevalletje. ‘Wat een dom doosje.’ ‘Dat is een peugeot partner’ merkte mijn vriend voorzichtig op, ‘zo’n zelfde als jij hebt.’ Ik barstte in lachen uit. Het was waar, het was dezelfde. ‘Nou zie ik eens hoe een stomme auto het is,’ lachte ik. ‘Nou wil ik zeker een nieuwe. Bovendien heeft deze al meer dan 100.000 gereden.’ ‘Dat zegt tegenwoordig niks meer,’ antwoordde hij. ‘De mijne heeft al meer dan twee ton erop staan.’ (Jaja, altijd meer, altijd groter, mopperde ik zogenaamd boos) ‘We moeten onderhand tanken,’ zei ik toen we weer een tankstation passeerden. We kunnen nog maar 60 km.’ (Kan ik zien op de meter binnenin. Soms verspringt hij van 80 opeens naar 60 en schrik ik me lam en dan weer ineens naar 95.) ‘Over 35 km komt er weer een.’ Enfin, we bekeken nog wat auto’s die we passeerden of die ons passeerden en intussen maakte ik mijn keuze: hij moest op deze auto lijken, liefst knalrood of fel blauw, een goede achterpartij hebben voor de honden. Met 5 man erin, automatisch, liefst diesel, maar geen voorwaarde en er moesten deurtjes achterin zijn en geen klep. Binnenkort zouden mijn armen niet meer omhoog kunnen. Een Toyota. Ik had nog nooit een niet-Franse auto gehad. Ik zou best eens een Aziaat willen, die zijn onverwoestbaar zeggen ze, de auto dan. ’Oh, zo één, zei ik toen we weer wat verder waren: Een beeldschoon modelletje passeerde ons en tegelijkertijd passeerde ik weer een benzinestation. Oei, kijk daar, wees ik naar achter, dat was het benzinestation. Ik reed te hard om nog af te remmen. Tegelijkertijd piepte er iets en het rode benzinelampje begon te branden. ‘Getver,’ zei ik, als we het volgende nog maar halen, die metertjes zijn absoluut niet nauwkeurig.’ Vriend werd stil, hij houdt niet van zo’n situaties. Weer nog 37 km tot het volgende station. Ik reed nog 15 km door en daar kwam de aankondiging van nog 10 km naar het volgende benzinestation. ‘Dat halen we wel, zei ik, ‘dat moét.’ Hoewel het piepje zich nog twee keer had laten horen. Nog 2 km. Tijd om vriendje te plagen, daar kan ik niks aan doen. Ik gaf stotend en hortend gas, en remde af, extra. ‘Oei,’ zei ik, ‘hij raakt op.’ Hij werd bleek om z’n neus zag ik. Toen gaf ik weer gewoon gas. ‘Sorry,’ lachte ik. Gemeen hè. Wat een flutpeugeot toch.