‘Ontspullen’

05-10-2017 15:40 - 't Vlees is zwak

Een paar weken terug las ik in het Eindhovens Dagblad een artikel over ‘ontspullen’. Het hield in dat wij, huizenmensen veel te veel spullen hebben in onze huizen en gewoon eens wat op moeten ruimen. Ofwel het naar de stort, kringloop of goede doelen brengen. Je begon volgens de schrijvers van het artikel met de eerste dag één ding weg te doen, de tweede dag twee, de derde drie enz. In een maand was je dan iets van vierhonderd en nog wat spulletjes kwijt en leek je huis al veel leger en opgeruimder. Na de week in Berlijn was ik vol goede voornemens en ben er zaterdag meteen aan begonnen. Eerst één spul, zondag twee en zo verder. Het is nu dinsdag en vandaag moeten er vier weg. Ik dwaalde op zaterdag door mijn huis en zag een hoop troep die weg kon. Ik werd helemaal blij bij de gedachte dat ik binnenkort een geweldig schoon en opgeruimd huis zou hebben. De eerste dag, zaterdag heb ik moedig afstand gedaan van een versleten kussensloop. Ik deed hem in de rotsooizak. Normaal gebruik ik oud textiel voor verflappen in het atelier om de penselen en zo mee schoon te maken. Maar ik had nog zoveel ouwe onderbroeken op voorraad dat daar geen nood aan was. Een onderbroek rijp voor de verf is een onderbroek met gaatjes, ofwel helemaal slap geworden doordat de vering eruit is.  Daar heb ik er zat van. Op zondag dwaalde ik door het huis en zag veel, veel wat echt weg kon. Maar van de schrijvers van het artikel moest het ook een beetje pijn doen als je iets wegdeed. Maar als je een bewaarder bent, zoals ik wel een beetje, doet alles pijn. Op zondag gooide ik een puntenslijper weg en een klein stoffen haasje. Dat haasje heb ik toch eerst nog drie keer omgedraaid en over zijn snoetje geaaid voordat ik sorry zei en het in de afvalbak gooide. Maandag begon ik opnieuw dapper met een ouwe trainingsbroek, oftewel slappe broek. Niet in de kringloopzak, daar was hij te slecht voor. Anders zouden de ongelukkige mensen op het verkeerde halfrond nog ongelukkiger worden. Een braadpan voor de afdeling stort en een kromme houten kooklepel. Waarom had ik dat eigenlijk zo lang bewaard? Tja je loopt dagelijks langs je spullen, je ziet ze maar je ziet ze niet echt. Het enige wat ik denk bij bijvoorbeeld tien zwarte, onduidelijke haakjes van plastic, misschien kan ik die nog ooit ergens voor gebruiken. Ze liggen al tien jaar in een doosje dat al even lang weg had gemoeten. Twee lichtblauwe schoenveters, nog helemaal in plastic verpakt, ook op de nominatie. Een rol faxpapier, leuk voor de kleinkinderen om op te tekenen. Hebben ze nooit gedaan, die rol was veel te dun om op te tekenen. Maar nooit weggedaan, leeg papier is tenslotte leeg papier. Nu tekenen ze op hun i-pads. De kromme houten lepel haalde ik de volgende dag uit de zak en legde hem in de mand met hout voor de open haard. Slim. Toch nog iets gered. Dinsdag moesten er dus vijf dingen weg. Onderin mijn klerenkast vond ik voor de 100e keer de jurk die steeds van de kleerhanger afglibberde en die ik nooit had aangehad. Nu ga je eraan, zei ik tegen de jurk, had je maar niet alsmaar moeten afglijden. De jurk was best duur geweest maar ik draag nu eenmaal geen jurken. Mijn kop staat daar niet bij. Dus, mijn kop of de jurk? Niet moeilijk. Een klein houten vogeltje stond angstig in de boekenkast. Stil maar, jij niet hoor zei ik. Dat had ik van iemand dierbaars gekregen en dat mocht niet weg. Schoenen met kale neuzen, eindelijk weg. Te kleine laarsje, nooit langer dan steeds een half uur gedragen, wel mooi, in de kringloopzak dus. Maar mooi dat ik ze kwijt ben. En ik voldoe aan het programma. Niet meer aan denken verder; ze deden pijn. Dinsdagmiddag haalde ik het haasje uit de vuilnisbak. Hij lag op een bedje van prei. Sorry, zei ik weer en zette het terug in de boekenkast bij de kikker, het eendje, het uiltje en het hondje.

Reageren? Graag... dat kan via Guus.van.Winkel@pandora.be