Taalgrens

15-11-2018 15:56 - 't Vlees is zwak

Nou heb ik drie kleinzonen; de mensen die deze rubriek geregeld lezen weten dat en die mij kennen, weten dat misschien ook wel. Hoe dan ook; ze wonen alle drie in België, Hamont, maar het zijn door geboorte en vanwege hun ouders en grootouders Ollanders, zoals de Belg hier zegt. Ze gaan alle drie in België naar school, eerst in Hamont en later in Neerpelt. Ja, de oudste is daar nu vanaf, maar de twee mennekes van 12 en 14 zitten er nog. Die twee hebben een moeder die in Noord-Nederland geboren is. Ze spreekt prachtig, zuiver Nederlands en gelukkig vrijwel accentloos, dus geen Amsterdams, of Rotterdams accent of dat taaltje met een verschrikkelijke harde G uit Hilversum. Dat wordt hier door de Nederlanders zelf in het zuiden waar wij wonen, ook niet gepruimd. Van die moeder hebben de jongens hun Nederlandse intonatie. Je spreekt de taal van het gezin. Maar al naar gelang ze in Hamont en nu Neerpelt naar school gaan, sluipen er typisch Belgische woorden in hun Hollandse klankenkast. En dat, mensen dàt vind ik zo schattig, zo leuk om te horen dat ik iedere keer wanneer ik zoiets hoor, helemaal smelt van ontroering. Ja het klinkt wat flauw, maar het is echt zo. De Belg heeft geen flauw benul hoe bijzonder en a-typisch sommige echt Belse woorden de Nederlander, zelfs die hier uit de grensstreek, uit Budel zoals ik,  in de oren klinkt. Vermakelijk, leuk verrassend, echt amusant en soms hartveroverend. Een voorbeeld: wij zeggen stoel, de Belg zegt zetel, een woord dat door Nederlanders niet gebruikt wordt. Het effect op mij van een kleinzoon die een woord als zetel in een zin gebruikt is kostelijk. Laatst nog, zei de middelste kleinzoon tegen mijn vriend, ook een Nederlander toen hij bij hem in de auto stapte: ‘Goh Ed, wat een mooie zetels heb je in de auto.’ We keken elkaar allebei tegelijk verrukt aan. Niet omdat hij de stoelen mooi vond, maar het woord zetel. Super gewoon. Nog een voorbeeld: Met Sinterklaas vorig jaar waren we met z’n allen pakjes aan het uitpakken en toevallig kreeg het oudere broertje twee maal achter elkaar een pakje aangereikt. De smartelijke toon waarop de jongste toen: ‘Weeràl!’ kreet, vond ik geweldig. Wij zeggen nooit weeral, de Nederlander zegt ‘al weer’. Weeral is prachtig. Ik ben het ook gaan gebruiken. Dan het woord, ‘huilen’ of iets grover: ‘janken’. De Belg zegt ‘wenen’. ‘Ik hoef niet te wenen hoor oma, zei de jongste laatst toen hij ziek was en ik naar zijn welzijn informeerde. Ach, wenen, zei hij, wat mooi, mijn hart sprong op, zoals zijn broertje zelf gezegd zou kunnen hebben. Ik ken ‘wenen’ alleen van een zin uit de Bijbel zoals: Zijne moeder stond onder het kruis en weende bitter. Het contrast van die Hollandse stemmen en de Belgische woorden is ludiek. Daar kan ik nou echt van genieten. Ah, de Belg is fier op iets, de Nederlander trots, hij zal het woord fier nooit gebruiken. Zelfs niet hier in de grensstreek. Tja, we hebben zeker en vast voor vast en zeker, maar dat is wat algemener in het gebruik. Veel plezier, zeggen ze in Nederland als ze iemand bij het weggaan groeten. Belgen zeggen: Het amusement hè.  ‘Kunt gij tot daar geraken?’ GE-raken: wij zeggen: kun je tot daar raken. Geraken is veel mooier. Wij wandelden doorheen het stadje, dus niet zoals in Nederland: het hele stadje door. En zo zou ik nog veel meer kunnen opnoemen. Toevallig was ik een tijd terug getuige van een volwassene die onrecht aangedaan, deze zin uitsprak: “Zo moet men niet beginnen!” Een prachtige zin die ik zelf nu heel vaak bezig. Eigenlijk te pas en te onpas. Zoals nu, wanneer een van u denkt: Hé, deze column is korter dan anders en dan zeg ik: ‘Ja, zo moet men niet beginnen!’