Koorleden kijken terug en vooruit –III- (slot)

10-02-2019 17:45 - Ingezonden door Evert Meijs

Als zangers gedurende hun lidmaatschap de Schola vaarwel zegden, was dat nooit door tanende ambitie. Het was steeds vanwege verhuizen of overlijden, dat afscheid werd genomen. Had het koor op zijn hoogtepunt ruim veertig leden, inmiddels is het aantal gehalveerd. Niet alleen het behoud van het gregoriaans staat hoog in het vaandel, ook de onderlinge vriendschap heeft in de afgelopen vijftig jaren een grote rol gespeeld.


Er is belangstelling voor elkaars privé-situatie. Mannen rijden met elkaar mee naar de repetitie en de uitvoering. Helpen elkaar daar waar nodig. Om die vriendschapsbanden te bezegelen en te versterken, worden jaarlijks reizen ondernomen naar binnenlandse en buitenlandse bestemmingen. Niet alleen ‘ter vermaeck’, maar er wordt steevast ook gezongen op de eindbestemming. “We zijn een vriendenclub. Dat merk je óók op onze trips of excursies. Zo hebben we veel plezier gehad in Watou, Wenen, Praag en in Rome, waar we in de Friese Kerk onze gregoriaanse gezangen hebben laten horen. Natuurlijk was het indrukwekkend om de Paus te zien, de gigantische koepel van de St.-Pieter te beklimmen en een bezoek te brengen aan de crypte waarin Petrus begraven zou zijn”.
De onderlinge vriendschap bleek ook toen de periode aanbrak waarin het steeds moeilijker werd voor de monniken van de Achelse Kluis, om de gezangen in stand te houden tijdens de hoogmis. “Toen hebben we met een aantal zangers gezegd: monniken, we gaan je helpen. Vanaf dat moment hebben we elke zondag ondersteuning geboden met onze vaste en wisselende gezangen”.

Voldoening
Ook de partners van de zangers hebben altijd een bijzondere rol gespeeld in het verenigingsleven van het koor. “Allereerst gaat mijn vrouw altijd mee als we zingen. Ze merkt dat het bij het ándere koor waar ik zing, meer individueel is, terwijl hier geen enkele drempel is voor de vrouwen. Als ze zegt dat het mooi was, ondanks dat ze er niets van heeft verstaan, geeft mij dat weer veel voldoening”.  
“De fanfare trekt steeds aan me, om weer lid te worden, maar ik houd het tegen. Alleen indien mijn dochter als dirigent van de blazers bij me aanklopt, help ik die club vooruit. Maar da’s uitzondering!’

Vergroeid
Broeder Gaby, de laatste trappistenmonnik van de abdij, zei ooit: “Wees gerust: het kloosterleven gaat verder, alleen op een andere manier”. Toch hebben de zangers een gemixte kijk op de toekomst. “Ik hoop dat het gregoriaans dóór gaat. Ik denk het wel”., aldus één van de zangers. Uit de gesprekken blijkt duidelijk dat de beleving van het gregoriaans onlosmakelijk verbonden is aan de Kluis. “Klote, dat het aan het stoppen is. Ik voel me unheimisch. Zijn er nog alternatieven?” Nu –voorlopig althans-  afscheid genomen is van de hoogmis in het klooster, blijkt meer en meer hoe men vergroeid is met de Abdij Onze-Lieve-Vrouw-van-La-Trappe-van-de-Heilige-Benedictus, kortweg De Kluis. “Ja, zelfs de stilten tijdens de missen hoorden he-le-maal bij de sfeer van de abdijkerk. Het gregoriaans paste al die jaren nergens zo goed als in De Kluis. Ik denk nog eens terug aan de tijd dat Michaël op subtiele wijze het orgel bespeelde. Zou dat nog eens terug komen?”

Hoop
Tijdens de afronding van de gesprekken wordt op de valreep nog een accent gelegd op het vertalen van de Latijnse teksten.  “Ik ben heel veel van die taal gaan houden. De betekenis ervan is voor mij altijd heel persoonlijk geweest”. Een andere cantor vindt de vertaling ook van belang: “Ik ben met het Christelijk sop overgoten. Dat raak je nooit meer kwijt. Je bent er mee vergroeid. Vijftig jaar lang heb ik de vertaling in het Nederlands er bij geschreven”. “Voor ons is het zingen van de mis géén uitvoering. We zingen voor Onze Lieve Heer. De tekst komt dan op de tweede plaats”.
Voor iedereen is het duidelijk dat het beoefenen van het gregoriaans niet hip is. “Ik ben van 1955, en er komt niemand meer bij”. Tijdens verjaardagsfeestjes is het not done om het over het praktiseren in de katholieke kerk te hebben. “Met name de Nederlandse journalistiek brengt het katholieke geloof vaak in een negatief beeld. In andere werelddelen zoals in Afrika groeit het fantastisch. Dus er is hoop!” De nestor van de interviews: “Het gregoriaans zal toch wel doorsijpelen. Ook al spreekt het de jeugd van dit moment niet aan; dit gaat niet verloren”.


In juni 2018 kreeg Evert Meijs van de Schola Cantorum Achel het verzoek om mee te werken aan een jubileumboek vanwege het vijftigjarig bestaan van het roemrijke koor. Naast allerlei andere aspecten zouden in de uitgave ook zangers aan het woord moeten komen om te laten vertellen over hun opleidingen, ervaringen, belevingen en kameraadschap.
In drie delen verslaat hij de interviews met zes verschillende koorzangers.
Deze week deel III –als laatste deel- over het koor als hechte club en een voorzichtige blik op de toekomst van deze bijzondere liturgische muziek.