Schuermans technische man pur sang

24-03-2019 14:42 - Ingezonden door Redactie

St.-Huibrechts-Lille – “De man van die treintjes? Die woont daar op nummer elf”, zegt een buurman van Jan Schuermans. Daar staat een wiel in de voortuin van een stoomlocomotief uit 1902. Even later zwaait de voordeur van nummer elf open en de vriendelijk lachende Peltenaar biedt in de woonkeuken een stoel aan. Deze morgen heeft hij alle tijd om het te hebben over zijn loopbaan en zijn passies. Een geboren verteller.

Tekst en foto’s Evert Meijs

“Ik heb maar vast het één en ander opgeschreven, Evert”, zegt Jan (*Kaulille 1935), pakt een volgeschreven notitieblaadje en vertelt dat hij geboren werd in de Fabriekstraat, door de pastoor steevast ‘Duivelsstraat’ genoemd, aangezien hier hoofdzakelijk werknemers woonden van Cooppal, het bedrijf dat rond 1880 startte met de productie van kruit en later van nitroglycerine en nitroguanidine. “Mijn familie is waarschijnlijk afkomstig van een adellijke Duitse familie, vandaar de ue in mijn achternaam”. Dan vertelt Schuermans uitvoerig over zijn schoolloopbaan. “Van vader moest ik naar het College, maar ik wilde een technische opleiding”, zegt hij en startte aan het Technisch Instituut Overpelt (TIO). Later volgde hij de opleiding A2 (MTS), die aanvankelijk nog niet was erkend door de staat. “Er zaten vier leerlingen in één klas”.

Kleine-Brogel
Na het TIO kwam Jan bij Philips Eindhoven Strijp I terecht op de afdeling voor het maken van machine-onderdelen. Na ’n half jaar werd hem gevraagd technisch tekenaar te worden bij de Zinkfabriek in Overpelt, met als voornaamste klus het opmeten en tekenen van de bestaande smeltovens. “Waren die allemaal hetzelfde geweest, dan was het werk gauw klaar, maar iedere oven was totaal anders. Na twee jaar (1957) startte ik als werkopzichter op het vliegveld Kleine-Brogel.” In die jaren bekwaamde Jan Schuermans zich verder in de elektromechanica, centrale verwarming en in het controleurschap. Tot 1996 bleef hij er in dienst en ging toen met pensioen.

Modeltreinen
In 1961 kreeg Jan van zijn vrouw een miniatuur-stoomlocomotief. “Bovendien kwam ik in contact met mensen die modelspoorbaan als hobby hadden”. Na enkele startte Jan met het maken van duizenden dia’s, vooral van treinen, treinen en treinen. Hij besteedde zijn vrije tijd aan het bestuderen van de treinen en struinde markten af om van de gespotte treinen een klein model op de kop te tikken. “Ik vond het plezierig om de modeltrein exact te laten lijken op de echte treinen die ik gefotografeerd had. Ik schilderde de treinen in de juiste kleur, zette er de juiste naamplaatjes op en plaatste –als dat nodig was- extra lampen op de neus, of paste de wielen aan zoals die in het echt ook waren. Ik ga nog steeds graag naar Oostenrijk op vakantie. Naar de Brennerpas. Bijzondere treinen zie je daar rijden”.

Bouwtekeningen
Maar of dat nog niet genoeg was, Schuermans ging zich ook verdiepen in de stationsgebouwen langs het spoor. Hij haalt een grote enveloppe uit de woonkamer en spreidt de inhoud uit over de tafel. Allemaal tekeningen van stations. “Kijk”, zegt hij, “deze plannen heb ik allemaal zelf gemaakt, aan de hand van oude tekeningen die ik in archieven vond”. De Belgische spoorwegen gebruikten één tekening voor meerdere stations, zoals van Olen, Geel, Mol, Balen-Wezel, Lommel en Neerpelt. “Het station van St.-Huibrechts-Lille had merkwaardig genoeg een eigen chique wachtkamer. Waarschijnlijk omdat hier een senator woonde”, lacht Jan. Op de vraag hoe het komt dat hij zo perfect bouwtekeningen kon maken, antwoordde hij: “Mij werd eens gevraagd door goede kennissen om een huis te tekenen. Ondanks dat ik dat nog nooit gedaan had, ben ik er toch aan begonnen. En het lukte. Ik werkte ook 2 jaar bij architect Boonen en 8 jaar bij architectenbureau Jansen. Hans Kreft uit Rotterdam vroeg of ik de verbouwing van zijn huis –hier in het dorp- wilde tekenen zoals het vroeger was. Ik had dát nog nooit gedaan, maar ben er aan begonnen”. Hij laat talloze bouwtekeningen van het gebouw zien.

Anekdotes en wetenswaardigheden
Maar de techniek beheerst het grootste deel van zijn leven. Door zijn oneindige kennis van de spoorwegen heeft hij als enige Limburger zitting in de Werkgroep Spoorweggeschiedenis België, die regelmatig vergadert in Brussel, naast de kamer van de Beheersraad. Dan gaat het interview verder op de eerste verdieping van zijn huis, dat hij zelf tekende.  Op de bovenkamer staan 32.000 dia’s akelig keurig gesorteerd in dia-dozen. Hoofdzakelijk van treinen, maar ook zijn er dozen vol over kanalen. En de nodige privé-dia’s staan er eveneens op de plank. Tegen de wand een kast met glazen schuifdeuren, waarachter honderden treinen en treinstellen staan; door Jan dus natuurgetrouw gemaakt aan de hand van zijn dia’s. Als een volleerd onderwijzer weet hij over elke locomotief iets te vertellen, pakt af en toe een treintje in zijn hand en vertelt anekdotes en talloze wetenswaardigheden. Op de grond staan dozen met nog niet uitgepakte treintjes, maar ook videobanden en vooral veel boeken en tijdschriften over …treinen. Als je denkt alles gezien te hebben, blijkt het tegendeel waar. In de kamer ernaast staan nóg eens honderden treintjes achter glas. In een andere hoek is een modelbaan gebouwd. “Alleen maar om treinen te testen, hoor. Kijk, hier staat een schoonmaaktrein.” Hij draait het kleinood om en laat een soort poetsdoekje zien, waarmee de trein de baan automatisch reinigt. Er staan ook echte kolossale locomotieflampen, talloze (giet-)ijzeren naamplaatjes van treinen en nog stapels enveloppen met foto’s.  Als hoofd-elektrieker haalt Jan zijn hart hier op.

Napoleonkanaal
Eenmaal beneden komen er nog enkele tekeningen tevoorschijn die hij op kalkpapier maakte. Maar ook grote foto’s, waarop Jan te zien is in een locomotief. “Deze is van het type 1020, van de Österreichse Bundes Bahn en rijdt de Arlbergroute. Ik was gast van de machinist die ik goed ken, en mocht meerijden op de loc”. Jan glundert als hij deze kleurenfoto beet pakt.
Maar hij is nog niet uitgepraat. Graag wil hij het nog hebben over het Napoleonkanaal, over zijn muzikale loopbaan als klarinettist, over de Heemkundige Kring en over zijn werk in de kerk. Maar de tijd gooit roet in het eten. Als hij nog gewezen heeft op een wagonwiel áchter in de tuin (van 1870), komt er een einde aan deze boeiende ontmoeting.